Liefhebbers van historische rally’s en nostalgische Alfisten zijn weg van deze lang genegeerde Alfa. Vandaag beginnen zijn prijzen echter terug te stijgen.

Francois Piette
07/02/2018

Net als heel wat andere Europese constructeurs had Alfa Romeo snel door dat de naoorlogse periode niet was weggelegd voor prestigemodellen, maar voor kleine, populaire auto’s. Daarom produceerde het al snel een bescheiden gamma compacte berlines en coupés met 1.3-motor. Heel wat anders dan de vooroorlogse achtcilinders dus. De nieuwe lichting verpakte heel wat moderne technologie en moest een lange carrière tegemoet gaan.

1963

Begin jaren 60 waren de ronde lijnen van de Giulietta Sprint (die daarna Giulia Sprint werd gedoopt) voorbijgestreefd. Alfa Romeo deed dus een beroep op Bertone voor een nieuw koetswerk. De piepjonge Giorgetto Giugiaro mocht de tekenpen vastnemen: amper 22 jaar, maar uitzonderlijk getalenteerd. Het resultaat: een modern en duidelijk geproportioneerd koetswerk.

In 1963 werd de auto voorgesteld: de Giulia Sprint GT kreeg strakke lijnen en de motor van zijn voorganger. De aluminium viercilinder met dubbele bovenliggende nokkenassen was 1,6 liter groot en produceerde 103 pk. Verder voorzag Alfa nog vier schijfremmen, een monocoque en een vijfversnellingsbak. De evoluties volgden geleidelijk: in 1965 verscheen er een cabriolet (GTC, 1.024 geproduceerde exemplaren tussen 1965 en 1966) en in 1966 volgde er een Veloce, die een handvol pk’s extra produceerde en aanspraak maakte op een luxueuzer interieur.

Evoluties

In een carrière van meer dan 13 jaar passeerden er uiteraard heel wat evoluties. In de eerste plaats de Junior-versies, met 1.3-motor en gestroomlijndere uitrusting. In 1967 maakten de Sprint GT en Sprint GT Veloce plaats voor de nieuwe GT 1750 Veloce. Het radiatorrooster verloor zijn karakteristieke “brievenbus” (een luchtinlaat tussen de motorkap en het radiatorrooster) maar kreeg twee extra koplampen. Onder de motorkap kreeg die een 1.75 met 118 pk en geweldig karakter.

De jaren 70

Ook de rest van het gamma evolueerde: de Junior kreeg ook een 1.6, de GT 1750 Veloce kreeg enkele updates in 1969 en in 1971 kwam de GT 2000 Veloce hem aflossen. De tweeliter produceerde 132 paarden, die naar een achteras met sper gingen. De achterlichten werden groter, het dashboard wijzigde voor de vierde keer en in de optielijst stond zelfs klimaatregeling.

Speciale versies

We kunnen de speciale modellen natuurlijk niet over het hoofd zien: de Junior Z bijvoorbeeld, die in 1969 werd onthuld. Die werd getekend door Zagato en zag er gemeen uit. De 1.510 exemplaren hadden een 1.3 of 1.6 en werden gebouwd tot 1974. Dan zijn er nog de uiterst zeldzame en uiterst gegeerde GTA en GTAm, circuitversies (SA) en homologatieversies (Stradale). Alle auto’s kregen koetswerkpanelen uit aluminium, een motor met dubbele ontsteking en een dieetkuur. De 1.3 en 1.6 produceerden 110 tot 220 pk, afhankelijk van cilinderinhoud en versie.

Achter het stuur

Alle modellen zijn aantrekkelijk, met een metaalachtige klank die zwaar klinkt in lage toeren en wild wordt in hoge. De 1.3 is zeker geschikt maar mist wat longinhoud, de 1.6 is een mooi compromis. De 1.75 heeft heel wat pit en de 2.0 heeft koppel te over. Het stuur is goed afgewogen, het weggedrag evenwichtig en harmonieus in de bochten.

Waarop letten?

Het koetswerk: roest is vijand nummer één van alle auto’s uit de jaren 60, en zeker van deze Alfa. Kijk je exemplaar grondig na en zet hem desnoods op een brug om de onderkant te inspecteren. De motoren zijn stevig als ze keurig zijn warmgereden en onderhouden (vooral de 2.0, de 1.75 kan wat problemen vertonen met de krukas). Check wel of de juiste motor in de juiste auto zit. Een 2.0 in een Junior 1.3 kom je vaak tegen, maar vindt je verzekeraar minder leuk. De zetels zijn fragiel, net als de synchro van de tweede versnelling.

Welke kiezen?

Verzamelaars zijn goed af met de “brievenbus”-versies, maar die hebben een stevig prijskaartje. Met een beperkt budget is de Junior 1.3 een goede keuze, maar die laat sportievelingen op hun honger zitten. Zij kunnen uitwijken naar de 1750, al is diens prijs sterk gestegen. De tweeliter is esthetisch minder sierlijk, maar zijn motor en sperdifferentieel geven wel meer voldoening. Hij is ook de meest betrouwbare. Nog een alternatief? De 1.6: krachtig, muzikaal en nog relatief betaalbaar.

Welke prijs?

Een mooi exemplaar met 1.3 begint vanaf € 20.000. Reken op minstens € 5.000 extra voor een 1.6 en € 10.000 extra voor een tweeliter. Een GT 1750 Veloce wisselt vaak voor meer dan € 45.000 van eigenaar. Zoveel betaal je ook voor een Junior Z. De uiterst zeldzame GTC vind je niet voor minder dan € 100.000, en een GTA met geschiedenis kost dan nog eens het dubbele…

Je gebruikt een oude versie van Internet Explorer. Upgrade ajb naar een nieuwere versie.
Je gebruikt een oude versie van Safari en/of iOS. Upgrade ajb naar een nieuwere versie.